Juni is de maand waarin het licht maar niet wil ophouden. Tot ver na achten hangt de zon nog laag boven de weilanden, en juist dan, als de hitte van de dag is geluwd, pak ik mijn ezel en mijn kist met tubes en fiets ik naar Rhijnauwen. De avond is voor mij geen einde van de dag, maar het begin van het mooiste uur om buiten te schilderen. Alles wat overdag hard en vlak was, wordt zacht, warm en gelaagd.
Wat me telkens weer treft bij Rhijnauwen is hoe het late licht het landschap van karakter verandert. De zon staat laag en strijkt over het gras, zodat elke pol en elke molshoop een lange schaduw werpt. De knotwilgen langs de Kromme Rijn kleuren oranje aan de ene kant en blijven blauwig koel aan de andere. Het water vangt de hemel en wordt een streep vloeibaar goud tussen de oevers. Het is een palet dat je nergens kunt bedenken — je kunt het alleen zien, en je moet snel zijn om het te pakken voordat het verschuift.
Want dat is het lastige en het heerlijke tegelijk: het gouden uur duurt geen uur. In een halfuur kantelt alles. Daarom werk ik op zulke avonden alla prima, in één keer nat-in-nat, zonder mezelf de tijd te gunnen om te twijfelen. Ik leg de grote warme vlakken eerst neer, de gloed op de weide, de donkere massa van het geboomte, en pas op het laatst de paar accenten waar het licht echt breekt. Schilder ik te lang door, dan loop ik achter de avond aan en klopt er niets meer. Beter een studie die de schemering ademt dan een doek dat alles wil vertellen.
En dan is er de stilte. Overdag lopen er wandelaars en fietsers over het landgoed, maar tegen de avond wordt het leeg en keren de geluiden om: een merel die nog natoetert, het geklots van een eend, in de verte het ruisen van de A27 dat vreemd genoeg bij de schemering hoort. Ik sta daar met mijn penseel en merk dat ik langzamer ben gaan ademen. Schilderen in de avond is voor mij net zo goed kijken en stil zijn als het aanbrengen van verf. Het landschap geeft zich op zo'n moment makkelijker, alsof het ook tot rust komt.
Thuis, de volgende ochtend, zet ik de natte studie tegen de muur en zie ik pas goed wat de avond me heeft gegeven. Soms is het genoeg om zo te blijven; soms is het de aanzet voor een groter doek in het atelier, waar ik op de herinnering en op die paar rake kleurnoten verder werk. Maar het begint altijd buiten, in die lange juni-avond, met de zon die maar niet onder wil en het goud dat over Rhijnauwen ligt. Daarom blijf ik terugkeren. Geen zomer zonder die avonden.



