27 juli 2026

De lucht doet het werk

Waarom ik bij een Utrechts landschap bijna altijd met de lucht begin — en wat een wolkenpartij doet met de grond eronder.

De lucht doet het werk

Wie in dit vlakke stukje Nederland gaat staan schilderen, ontdekt al snel dat het land zelf maar een smalle strook is. Een greppel, een rij knotwilgen, de bocht van een weg — en dan houdt het op. Al het andere is lucht. Bij Langbroek, waar de wetering zich door het weiland trekt, staat mijn horizon vaak niet hoger dan een kwart van het doek. De rest is wolk, damp, licht dat door een gat valt. Ik ben me daar pas laat in mijn schildersleven echt van bewust geworden, en sindsdien begin ik bijna altijd bovenaan.

Dat begint praktisch. De lucht bepaalt de toon van alles wat eronder ligt. Een strook grasland onder een zilvergrijze julilucht is een heel andere kleur dan hetzelfde grasland onder een blauwe hemel met stapelwolken. Zet ik de grond eerst neer, dan zit ik daarna te vechten om de lucht erbij te laten kloppen. Zet ik de lucht eerst, dan komt de rest bijna vanzelf: het weiland vraagt om een beetje van dat wolkengrijs, de wilg langs het water krijgt een koele kant en een warme kant, en het geheel valt in elkaar zonder dat ik het hoef te forceren.

Wolken schilderen is trouwens iets anders dan wolken natekenen. Ik heb doeken gemaakt waarop elk randje klopte en die toch dood aanvoelden — vlekken watten, aan de hemel geplakt. Wat ik ondertussen probeer, is niet de vorm maar de beweging te pakken: de kant waar het licht op valt, de onderkant die schaduw draagt en meestal warmer en grijzer is dan je denkt, en die rafelrand waar een wolk oplost in blauw. Een wolk heeft massa. Hij is gebouwd, hij hangt ergens, hij drijft ergens naartoe. Als dat er in zit, mag de vorm best een beetje slordig zijn.

Het lastige is natuurlijk dat het motief niet stilstaat. In een half uur is de hele hemel vervangen door een andere. Daar heb ik me vroeger aan geërgerd, tot ik besloot dat ik geen bepaalde lucht schilder maar een bepaald weer. Ik kijk een paar minuten voordat ik de kwast oppak, kies één opstelling van licht en donker, en houd me daaraan — ook als het buiten intussen anders is geworden. De hemel mag veranderen, mijn doek niet. Dat is geen valsspelen; dat is precies het verschil tussen een foto en een schilderij.

Zomerluchten zijn wat dat betreft het genereuzer én het gemeenst. Op een dag als vandaag, met van die hoge stapelwolken die tegen de middag naar boven blijven groeien, krijg je cadeau wat je in november met moeite bij elkaar moet zoeken: drama, diepte, een lichtbaan die over het land schuift en één perceel er ineens uitlicht. Maar diezelfde overdaad verleidt je ook om te veel te willen. Ik heb geleerd één ding uit te kiezen — die ene lichte flank, dat ene donkere gordijn regen boven de Heuvelrug — en de rest rustig te houden.

En dan gebeurt het mooiste, terug in het atelier: het landschap eronder blijkt bijna vanzelf te kloppen. Het weiland is geen groen meer maar een reflectie van wat erboven hangt. De sloot pakt een stukje hemel op. Een dak, een hek, de zijkant van een schuur — allemaal krijgen ze hun kleur in bruikleen. Dat is wat ik bedoel als ik zeg dat de lucht het werk doet. Ik schilder een Utrechts weiland, maar wat de kijker eigenlijk voelt, hangt er meters boven.

← Alle berichten Bekijk de galerie

Meer lezen