Voordat ik landschappen ging schilderen, heb ik vijftien jaar abstract en experimenteel gewerkt. Die periode laat ik nooit helemaal los. Ze zit in elke toets die ik nu zet.
Wat het abstracte werk me leerde, is dat een schilderij niet glad of correct hoeft te zijn om te raken. Sterker nog: vaak is het tegenovergestelde waar. Een ruwe, robuuste toets, een kleur die net iets te ver gaat, een rand die niet helemaal klopt — daar zit de spanning.
Ik ben nog altijd op zoek naar de schoonheid van imperfectie. In olieverf kan dat prachtig. De verf is dik, weerbarstig, je kunt hem laten staan zoals hij valt. Een impressionistische, expressieve compositie ontstaat juist door níet alles te willen beheersen.
In het atelier bouw ik mijn grotere werken vaak laag over laag op. Eerst een grove ondergrond, soms nog met acryl of pastel erdoorheen, daarna de olieverf. Wat eronder ligt, blijft meespelen. Het geeft diepte die je niet kunt plannen.
Perfectie is saai. Een schilderij mag sporen dragen van hoe het gemaakt is — van de hand, het moment, de twijfel. Dat maakt het menselijk, en daarmee levend.



