Op een vroege ochtend in mei pak ik mijn ezel, een handvol panelen en een doos olieverf, en fiets ik naar de oever van de Kromme Rijn. Plein air schilderen — buiten, op locatie — blijft voor mij de zuiverste manier om een plek te leren kennen.
Het eerste wat opvalt is hoe snel het licht verandert. Wat om half acht een koele, blauwe schaduw is, is een uur later een warme weerschijn op het water. Je leert daardoor sneller te kijken en sneller te kiezen. Twijfel je te lang, dan is het moment voorbij.
De wind was die ochtend nogal vlagerig. Een paraplu helpt soms, maar vaak is het een kwestie van accepteren: een stofje hier, een blaadje dat in de verf plakt daar. Het hoort erbij. Juist die kleine onvolkomenheden geven een buitenstudie zijn leven.
Het belangrijkste wat ik buiten oefen is het weglaten. Een landschap bevat eindeloos veel detail, maar een schilderij wordt pas sterk als je durft te schrappen. Ik laat de busjes weg, de verkeersborden, soms een heel huis. Wat overblijft is de essentie van de plek: de lijn van de oever, de massa van de bomen, het ritme van licht en donker.
Thuis in het atelier vormt zo'n buitenstudie vaak de basis voor een groter, meer uitgewerkt doek. Maar de vonk ontstaat altijd buiten, met natte verf en koude handen.



