Mensen vragen me wel eens waarom ik niet vaker naar de Provence of de kust ga om te schilderen. Het antwoord is simpel: ik hoef niet ver te zoeken. Het zuidoostelijk Utrechtse landschap, tussen de Heuvelrug en de Kromme Rijn, heeft alles wat ik nodig heb.
Wat mij raakt is wat de Engelsen 'sense of place' noemen — het gevoel van een plek die ertoe doet. Niet het spectaculaire uitzicht, maar de herkenbare hoek van een weiland, een boerderij aan een dijk, een rij knotwilgen die al honderd jaar dezelfde bocht volgt.
Ik zoek bewust de plekken op waar de menselijke maat nog herkenbaar is, maar niet overheerst. Waar natuur en bebouwing nog harmonieus samengaan, zonder grootschalige moderniteit. Sommigen noemen dat nostalgie, anderen romantiek. Allebei prima wat mij betreft.
Door steeds in dezelfde omgeving te werken, leer ik haar door de seizoenen heen kennen. Hetzelfde stuk Kromme Rijn is in de winter een ander schilderij dan in de zomer. Die vertrouwdheid maakt het werk persoonlijker — het is niet zomaar een landschap, het is míjn landschap.
En misschien is dat het mooiste compliment dat ik kan krijgen: dat iemand voor een doek staat en zegt 'die plek ken ik'. Dan is de verbinding gelegd.



